25-10-10

Wat een boosheid was er in die mist

100_0364.jpg

Foto uit het album van het Gardameer.

Wat een boosheid was er in die mist

Wat een boosheid was er in die mist.

Maar we wilden nog even blijven.

Hand in hand gingen we over het pad

langs het pijlkruid in de vijver

in een plotse kleine regen

van gele pruimenbloesem.

Jong en mooi was ik, wat zou het

wat de mensen dachten,

tot dat angstig moment dat je

werkelijk moest gaan.

De tijd loopt telkens over

naar de vijand.

Ik ben terug, ik mag weer

staren in de spiegel.

 

Geschreven door Zhu Shuzhen.

 

11:20 Gepost door Martin | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

23-10-10

Op de toren.

100_0362[1].jpg

Foto uit het album van het Gardameer.

Op de toren.

Ik sta op het hoge torenbalkon,

Kan spreeuwen rond mij scheren voelen,

En als een maenade laat ik de storm

In mijn fladderende haren woelen;

O wilde gezel, o dolle trawant,

En, pees tegen pees, een pas van de rand,

Op leven en dood je bekampen.

 

Daarginds op het strand zie ik, zo fris

Als honden, de golven dartelen,

Zij stoeien rond met geklets en gesis

En glanzende vlokken spartelen.

O, springen zij er meteen in,

Recht in de briesende meute,

En jagen door het koralen woud heen

Op walrussen, dat is pas leute!

 

Daarboven zie ik een wimpel waaien,

Als een franke standaard uitgedost,

Zie ik op en neer de kiel zich draaien

Van mijn winderige uitkijkpost;

O, zat ik maar in het strijdende schip,

Het roer zou ik gaarne hanteren,

En sissend over de brandende klip

Zoals de zeemeeuwen scheren.

 

Was ik een jager in het vrije veld,

Een stukje maar van een soldaat,

Of minstens toch een mannelijk held,

Dan bracht de hemel mij wel raad;

Nu moet ik zitten hier, fijn en klaar

Als een beleefd, gehoorzaam kind,

En mag slechts heimelijk mijn haar

Wat laten fladderen in de wind!

 

Geschreven door Annette van Droste-Hulshof.

 

10:28 Gepost door Martin in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

19-10-10

Prometheus geboeid.

100_0361[1].jpg

Foto uit het album van het Gardameer.

Prometheus geboeid.

O hemelse luchten en snelgewiekte winden,

O waterbronnen en het eindeloos wachten

Van de golven van de zee,

O almoeder, grote moeder van de aarde,

O alziend zonnerad, u roep ik aan!

Zie wat een god wordt aangedaan door goden!

 

Aanschouw de schandelijke smart

Die ik doorsta, de pijnen die mij

Kwellen zullen in tijden

Zonder eind.

Dit zijn de smadelijke boeien

Die mij de heerser der Gezegenden

Heeft toebedacht,

Die nieuwe heerser.

Wee, wee: ik klaag om de pijn

Die is, om de pijn die komen zal.

Waar zal ooit het einde dagen

Van dit leed?

Maar wat praat ik? Weet ik niet alles

Wat me te wachten staat helder vooruit?

Er is geen smart die me verrassen kan.

Ik moet mijn lot zo goed mogelijk dragen:

Tegen de Noodzaak is geen macht bestand.

Maar even moeilijk is het om te zwijgen

Over mijn noodlot dan om niet te zwijgen.

De mens gaf ik geschenken en daarom

Moet ik nu zuchten onder dit wrede juk.

Ik die de oerbron – heimelijk – van het vuur

Buitmaakte en in de narthex-stengel borg,

Het vuur dat voor de mens leraar werd

Van alle kunsten, en zijn machtigst middel.

Dat is zonde waarvoor ik de prijs nu

Betaal, geboeid, onder een naakte hemel.

A, a, ai, ai!

Welk gedruis, welke geur, onzichtbaar,

Ruist op mij af?

Is het iets goddelijks, of van de mens,

Of van iets daartussen?

Is iemand gekomen naar deze klip

Aan de grens der wereld

Om daar te staren naar hoe ik lijd,

Of waartoe anders?

Zie mij, een geboeide, rampzalige God,

De vijand van Zeus, door alle goden,

Die aan het hof van Zeus verkeren

Gehaat, omdat ik de mens te lief had!

Wee, wee, ik hoor het weer, dichtbij:

Vogels misschien? De hemel gonst

Van het geluid van trillende vleugels.

Alles wat nadert brengt vrees voor mij mee.

 

Geschreven door Aischylos.

 

 

10:54 Gepost door Martin | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

09-10-10

Het afscheid van een man zonder familie.

100_0360[2].jpg

Foto uit het album van het Gardameer.

Het afscheid van een man zonder familie.

Hoe troosteloos, de jaren sinds Tianboa!

Gaarde en erf door doornen overwoekerd.

De meer dan honderd huizen in mijn dorp…

De mensen zijn verstrooid naar oost en west.

Van overlevenden komt geen bericht.

En de gestorvenen zijn stof en slijk.

Na onze nederlaag kwam ik terug

En speurend volgde ik de oude paden.

Na lange tijd vond ik mijn lege buurt,

De zon was mager en de lucht was triest.

Ik had er als gezelschap vos en das:

Ze krijsten woedend, haren overeind.

Wie woonden er nog verder om me heen?

Alleen zo’n twee, drie oude weduwvrouwen.

Een vogel zoekt des nachts zijn eigen tak:

Waarom gegaan? Gebleven tot het einde.

Dit voorjaar droeg ik heel alleen de hak

En ’s avonds bracht ik water naar mijn tuin.

De rakkers hoorden dat ik er weer was

En riepen mij voor oefeningen op.

Al is het ook een tocht in dit district,

Ik heb geen mens in huis om te verlaten.

Gaan we niet ver – ik ben en blijf alleen,

En gaan we ver dan zal ik blijven dolen.

Mijn huis en dorp zijn toch geheel verwoest,

Dus mij zijn ver en na nu om het even.

Wat eeuwig kwelt is dat mijn arme moeder

Na vijf jaar niet fatsoenlijk is begraven.

Mijn moeder heeft van mij geen hulp gehad –

Ons hele leven beiden bitter snikkend.

Wanneer je niemand hebt die afscheid neemt,

Hoe kun je dan nog leven als het volk.

 

Geschreven door Du Fu.

 

 

11:16 Gepost door Martin | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |